Ter nagedachtenis aan pater Jan van Kilsdonk

In de nacht van 30 juni op 1 juli 2008 is in zijn slaap overleden pater Jan van Kilsdonk sj., 91 jaar oud.

Studentenekklesia in De Rode Hoed. Amsterdam, 21 september 2008

Woord ten geleide

1.
In de nacht van 30 juni op 1 juli 2008 is in zijn slaap overleden pater Jan van Kilsdonk sj., 91 jaar oud.
In 1960 was hij de stichter van de Amsterdamse Studentenekklesia.
Wij zullen in deze gedachtenisdienst niet vooruitlopen op het grote boek dat ongetwijfeld over hem geschreven zal worden – moet worden. Wij verwijlen bij hem zoals wij hem gekend hebben en van hem gehouden. Ik hoop dat ik zijn gestalte en betekenis voor u allen in herkenbare woorden kan oproepen. Ik heet u allen hartelijk welkom.

2.
Hij hield van liturgie, van de oude Latijnse, van de Gregoriaanse gezangen, en van de nieuwe Nederlandse. Hij herkende zowel de liederen uit de Ekklesia-Dominicustraditie als de mantra-achtige uit Taizé. Wij volgen vandaag zijn smaak en voorkeur.

3.
Uit een persoonlijke brief, laat in zijn leven geschreven, citeer ik: ‘Mijn leven is in zijn geheel getekend door veel geluk, dat wil zeggen door de verbondenheid met talloze lieve mensen. De laatste jaren neemt die omstandigheid nog toe. En gun ik mij, meer dan vroeger, de tijd van dat geluk en die genegenheid te genieten.’

Toespraak

1.
Het was februari 1957. Ik was lid van de orde der Jezuïeten, en studeerde met ongeveer zestig ‘medebroeders’ filosofie in Nijmegen. Ik was 23 en las bij toeval ‘als er toeval is’ psalm 114: ‘Toen Israël uit Egypte trok’ – over op droge voeten door de zee heen – en over een god ‘die rotsen verandert in bronnen en vijvers, stenen in water’. Deze regels werden geciteerd in een gestencilde samenvatting van een lezing over het bijbelse Boek van de Psalmen. En die lezing was gehouden door pater J. van Kilsdonk sj.

In die dagen verkeerde ik in grote onzekerheid over alles wat ik dacht en geloofde en ons te geloven voorgehouden werd. Ik had Nietzsche gelezen over ‘God is dood’ en Heidegger over ‘zijnsvergetelheid’ en ik leed regelmatig aan het ‘God-bestaat-niet-gevoel’. Psalm 114, ik zocht hem op in de dikke dundrukeditie van mijn bijbel die ik maar zelden opensloeg. ‘Toen Israël uit Egypte trok’ – Egypte betekende zoveel als Angstland, stond in het stencil, het was een ‘Uittochtlied’, en om het goed te begrijpen moest je het hele bijbelse boekUittocht-Exodus lezen. Dan begreep je die regels pas echt. Ik sloeg het boek Uittocht-Exodus open, en las. En las!

Begreep ik wat ik las? Flarden wel, flarden niet; maar tijd voor voetnoten had ik niet – ik moest het verhaal, en begreep steeds genoeg om verder te kunnen – ik las voor mijn leven, met Egypte op mijn hielen.
En het was alsof ik door dat Grote Verhaal werd geroepen en meegevoerd, weg, uit, opwaarts. En mijn grote onzekerheid raakte voorbij. En het God-bestaat-niet-gevoel ebde weg.

2.
Tien jaar eerder was hij in mijn leven gekomen, begin september 1947 – in mijn leven gekomen, ja, niet minder.
Ik liep al een jaar op dat beroemde Ignatiuscollege rond, vlijtig leerling, eerste klas gymnasium – maar, ik had geen biechtvader. En dat baarde de rector van dat gymnasium grote zorgen: geen biechtvader? Bijna-puber, vol aandriften en opwellingen, en dan geen geestelijk leidsman die het jonge geweten slijpt aan de regels der rooms-katholieke moraal? Nee, ik had geen biechtvader; ik voelde me niet aangetrokken tot een van de paters die zich vriendelijk aanboden. Ik had wel eens gebiecht bij een hele oude die een beetje doof was en mij bij alles wat ik hem toevertrouwde, vertederd aankeek, en dan zei dat Maria van Fatima mij altijd zou helpen.
Nou, ik moest dan maar wachten, zei de gymnasiumrector, tot september – dan kwam er een pater die bestemd was voor grotere jongens – ik voelde een golfje in mijn ziel of zoiets. Hoe die heette, die pater? Pater van Kilsdonk.

Maanden gingen voorbij en toen was daar ineens het nieuwe schooljaar. Maandag rooster halen. Dinsdag ‘recollectie-dag’, dag van innerlijk verzamelen, bezinningsdag zeg maar. Wij leerlingen van de tweede klas gymnasium moesten bijeenkomen in de huiskapel van de paters, midden in het zogenoemde ‘patershuis’ waar ze allemaal woonden.
Pal tegenover die huiskapel, op de hoek naast de trap, was een kamer zonder naambordje op de deur. In de kapel werden we vurig toegesproken: over je best doen, en wat God misschien met je voorhad, en over biechten. Aan het eind van de dag, om zes uur, was er een lof met uitstelling van de hostie, zingen, bidden – ik mocht voorbidden, en als de laatsten de kapel verlaten hadden mocht ik de kaarsen uitblazen – en de deur van de kapel goed achter me dichtdoen. Toen ik de deur van de kapel goed achter me dicht had gedaan, zag ik, in één oogopslag, dat de ‘naamloze deur van de kamer op de hoek naast de trap’ een naambordje had gekregen. Daar stond in duidelijke letters ‘pater J. van Kilsdonk’.
Ik klopte op die deur. Drie vier vijf zes tellen hoorde ik niets. Toen klonk er een diep aarzelend ‘ja’. Met grote heftigheid duwde ik die deur met dat nieuwe naambordje open, en daar stond hij, donker, klein, zwaar brilmontuur, strak priesterboord, zwarte overjas nog aan – aan zijn voeten twee koffers en een grote leren tas.
De lang verwachte. Mag ik bij u biechten, vroeg ik. Hij zweeg, keek weg, keek me aan en zei: ‘ik ben eigenlijk een pater voor grotere jongens.’

3.
Pas drie jaar later kreeg ik hem als godsdienstleraar. Hij werd de belangrijkste leraar van mijn leven: hij leerde mij leren: psalm 8 lezen en het boek Job, maar ook het verhaal van de Grootinquisiteur, van Dostojewski.
Hij was fel tegen dansles. Terwijl hij later zo’n groot balletbewonderaar werd. Toen hij eens een paar weken op vakantie was, hadden we een clubje opgericht, een cursus geboekt. Maar toen hij terug was, ging het niet door – kregen onze ouders een brief van de ‘schoolleiding’: ‘Het goede is de vijand van het betere, en wij Jezuïeten willen het beste geven.’

Op een dag probeerde hij ons uit te leggen dat God absoluut transcendent was, dat betekende alles overstijgend, alle begrip te boven gaand, volstrekte majesteit. En dat de mens door Hem geschapen is met een mateloos verlangen dat door niets van deze wereld vervuld kan worden. ‘Alleen God kan jouw mateloos verlangen vervullen’, riep en fluisterde hij – en hij citeerde een beroemde spreuk van Augustinus, de grote kerkvader uit de vijfde eeuw: ‘Onrustig is ons hart totdat het rust in U.’

4.
God absoluut transcendent. Volstrekte majesteit. Het woord ‘god’ werd in onze omgangstaal de kortste aanduiding voor wat ons absoluut en oneindig overstijgt. Maar in de zwartste jaren van de twintigste eeuw waagde een Duitse theoloog een andere omschrijving van ‘transcendentie’, en daarmee een andere betekenis van het woordje ‘god’. Dietrich Bonhoeffer, in zijn gevangenisbrieven – hij werd beschuldigd van medeplichtigheid aan een complot tegen Hitler – noemde níet het ‘alles overstijgende’ transcendent, maar het aanraakbaar-dichtbije, de mens die naast je is, die je aankijkt, díe.

‘Iedere naaste vlakbij mij is het transcendente, God-in-mensengestalte’, schreef Bonhoeffer aan een vriend vanuit zijn gevangenis. In het onmiddellijk-nabije, toevallig-naaste, verschijnt ons die wij ‘god’ noemen – die wij altijd gedacht hebben als een alles overstijgende soevereine transcendente Majesteit.

Eind jaren vijftig – begin jaren zestig (van de vorige, de twintigste eeuw) drongen Bonhoeffer’s haastig genoteerde haspelende teksten, over ‘omgekeerde transcendentie’ tot de christelijke kerken door, tot dissidente gelovigen en terzijde geschoven Schriftgeleerden het eerst. In die jaren was het ook dat de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog in hun volle omvang begonnen door te dringen tot het wereld-geweten … ja, toen pas.

Oorlogen waren er altijd geweest, wreed, escalerend, zinloos. Maar nog nooit was in een chique villa aan een mooi meer, besloten tot de vernietiging van heel een volk, zakelijk – vrolijk – vastberaden, zoals op 20 januari 1942 aan de Wannsee bij Berlijn besloten werd tot de uitroeiing van de Joden.

5.
Jan van Kilsdonk was, als jong priester, streng, mysterieus, gebiedend, veraf en dichtbij tegelijk – hij was een vertegenwoordiger van een Uniek Systeem dat zichzelf evident en onaantastbaar vond, een orde van zekerheden en waarden, een zijnsorde die het ongenaakbare juridische onvertaalbare Latijn als voertaal verkoos.
‘God’ was binnen de gedachtegangen en bloedsomloop van dat Systeem de Volstrekte Majesteit: Veeleisende Liefde, Onverbiddelijke Roepstem – en wie die stem niet wilde horen, ging bedroefd heen en miste zijn levensbestemming.

Eind jaren vijftig – begin jaren zestig wist Jan van Kilsdonk dat dit Systeem niet meer kón, niet meer wáár was – met godsbeeld en al niet meer waar was: niet meer in verhouding tot wat er op die energieke Wannsee-conferentie was gevolgd: die Endlösung.

Toen hij dit had ingezien, begon zijn intiemste ‘uittocht’, zijn afdaling uit die massieve Latijnse zijnsorde: hij ging wonen bij mensen ‘in schemerlicht en verwarring’.
De machtige – vermaarde – de dreigende geduchte – flitsende, de vreeswekkende alleseisende liefde: die God van zoveel psalmen en dogma’s en van de eeuwen der eeuwen, die zocht in hem naar een andere weg, een andere stijl van god-zijn, een diepere menswording.

Over een volstrekte Majesteit-God heeft Jan van Kilsdonk in de tweede helft van zijn leven niet meer gesproken. Wel over de ‘Majesteit’ van doodgewone, nietige, beschadigde, vernederde mensen.

6.
Hij is voor mij de langverwachte gebleven. Telkens als hij iets ging zeggen, vaak met een lange aanloop-kreun, luisterde ik vol verwachting. In ons laatste gesprek, twee weken voor zijn dood, vertelde hij verrassend, dat hij sinds zijn verblijf in Huize Bernardus zich voor het eerst van zijn leven realiseerde wat het moest teweegbrengen in een mensenziel om lichamelijk gehandicapt en afhankelijk te zijn – ‘voor het eerst van mijn leven’, riep hij luid. Beminnelijk scharrelde hij van het ene wagentje naar het andere – met dat groetende zegenende handgebaar van hem, dat ik ken vanaf mijn dertiende.

7.
Hij stemde in met mijn liederen. Hij vond ze ‘ontspannen ortodox’ – wel ongeveer het laatste dat ik er zelf over zou durven zeggen. Hij zou ook ingestemd hebben, denk ik, met de psalmbewerking die ik aan zijn nagedachtenis heb opgedragen – getoonzet door Antoine Oomen – zullen zingen. Psalm 76 vrij – ik lees u voor:

Ik ben niet van nergens, ik kom
uit Bergland bewoond door leeuwen
ik vocht aan de Grensrivier
woonde in burchten onneembaar.
Ik was de god van de flitsende
pijlen, van bogen en zwaarden,
een vechtgod, verblindend, een snelle
aan roversbenden gewaagd.
Ik tartte de oppermachtigen –
moest het, ik brak ze hun ruggen.
Voor mijn dreigende aanblik
versteende ruiter en paard.
Zó heb ik onderdrukten bevrijd
uit de greep van tirannen:
godheid was ik vreeswekkend.

Ik zocht een andere weg.
Ik daalde af in woestijn
werd een stem uit het vuur:
‘Leer elkaar te bevrijden’.
Ik schiep een weg van woorden
die te verstaan en te doen zijn:
brood en recht voor de armen
voor de dorstenden water.
Ik sprak ze in alle talen,
ze staan aan de hemel geschreven:
vriendschap ontferming en trouw.
Ik denk dat ze kunnen. Ik wacht.

Ik ben gaan wonen bij mensen
in schemerlicht en verwarring.
Ik wou een kleine-mensen-god zijn.
Liefde sterk als de dood.