Wie is Mozes

En het geschiedde in die vele dagen, in die vele jaren: De koning van Egypte stierf.

Ekklesia. Amsterdam, 2 december 2018

1.
Wie is Mozes

En het geschiedde in die vele dagen, in die vele jaren: De koning van Egypte stierf. Maar de kinderen van Israël zuchtten, vanuit hun dienst. Zij schreeuwden en hun roepen om hulp steeg omhoog naar God, vanuit de dienst. God hoorde hun gehuil, God gedacht zijn verbond met Abraham, met Izaäk en met Jakob, God zag de kinderen van Israël, God wist. Exodus 2:23-25

De centrale figuur in het boek van de Uittocht het bevrijdingsverhaal van Israël, is Mozes. Hem overkomt wat later ‘kinderen van Israël’ zal overkomen: zo is dat uittocht boek, en menig bijbelverhaal, gecomponeerd op de manier van een symfonische compositie – een geliefde stijlfiguur in de bijbel, en ook in veel andere literatuur: in de aanhef en inleiding wordt heel het verhaal al opgeroepen, als in een samenvatting vooraf.
Mozes, in een kistje op het water gelegd (er staat hetzelfde woord dat wij in het Noach-verhaal vertalen met ‘ark’ en verder komt dat woord in de bijbel niet meer voor), wordt uit het water gered: zo zal Israël uit de zee gered worden. Mozes, bij de Berg Sinaï in de woestijn, hoort de Stem, ontvangt de Naam: zo zal later aan heel Israël geschieden.

In zijn novelle De Wet, een na-vertelling van het boek van de Uittocht, ensceneert Thomas Mann de geboorte van Mozes als volgt: door een Hebreeuwse slaaf wordt hij verwekt bij de dochter van de Farao, aan Hebreeuwse pleegouders overgelaten, later weer aan zijn Egyptische moeder teruggegeven en opgevoed aan het Egyptische hof. Zo wordt hij, ver van zijn onderdrukte volksgenoten, een vreemde voor hen.
Eenmaal volwassen zoekt hij hen op en zie hoe zij getergd worden: een Egyptenaar slaat een Hebreeër neer, ‘een van zijn broeders’. Mozes doodt de Egyptenaar. Als hij de volgende dag tussenbeide komt in een gevecht tussen twee Hebreeuwse mannen, slaven die elkaar afmaken, wordt zijn bemiddeling afgewezen. Hij is niet een van hen: ‘Wie heeft jou als heer en rechter over ons aangesteld? Ben je soms van plan mij ook te doden net als die Egyptenaar?’ (Exodus 2:14).
Ook de Farao heeft van zijn doodslag gehoord en vervolgt hem. Hij vlucht, de woestijn in, hij wordt een balling, een woestijngast. Gersjom (woestijngast) heet de zoon die hem daar geboren wordt.

In die bittere jaren groeit hij tot degene die de kinderen van Israël uit hun slavernij moet wegvoeren. Eerst moest hij zelf de woestijn leren kennen uit ervaring, en de weg van de ontbering gaan, om later die woeste, half willige menigte slaven als ‘heer en rechter’ te kunnen voorgaan op hun weg naar de vrijheid. Voor Mozes geldt wat in de boekrol van Jesaja over de dienstknecht van Adonai geschreven staat en in het evangelie van Lukas hernomen wordt en dan op Jezus van Nazaret toegepast: dat hij geroepen is om onderdrukten te doen gaan in vrijheid.

Mozes was herder van de schapen van Jitro, zijn schoonvader, priester van Midjan. Hij dreef de schapen tot achter de woestijn en kwam bij de berg van God, Horeb.
Een bode van JHWH liet zich aan hem zien in een vuur oplaaiende midden uit de doornstruik. Hij zag: daar, de doorstruik brandend, lichterlaaie, maar de doornstruik werd niet verteerd.
Mozes sprak: O, laat mij dichterbij komen, ik zal het zien dit groot gezicht waarom de doornstruik niet opbrandt. JHWH zag dat hij dichterbij kwam om te zien. Toen riep God, midden uit de doornstruik.
Hij sprak: Mozes, Mozes.
Hij sprak: Hier ben ik.

Een ‘bode’ (engel) van Adonai is de vooruitgeworpen schaduw van Adonai zelf die komende is, en zoals de tekst vermeldt, even later Mozes bij name roept. De brandende doornstruik – in andere vertalingen ‘het brandende braambos’ – is beeldspraak voor het geweten dat zich opent, dat vermoedt, voorvoelt, en weet.

Mozes sprak tot God:
Dan kom ik bij de kinderen van Israël, ik, en dan zeg ik tegen hen:
‘De God van jullie vaderen heeft mij naar jullie toegestuurd’, dan zeggen ze tegen me:
‘Hoe is zijn naam? – wat zeg ik hun dan?
God sprak tot Mozes:
Ik zal er zijn zoals ik ben.
Hij sprak: dit moet je zeggen tot de kinderen van Israël:
“Ik zal er zijn” heeft mij naar jullie toegestuurd.

2.
De Thora gegeven

Dan volgt het gevecht tussen de God van Mozes, en de god-koning van Egypte (Exodus 5- 15). Die God van Mozes is niet god, is alles niet wat de farao wel is: paarden en ruiters, wagens en wapentuig. Hij is een stem, ‘en geen gestalte hebben jullie gezien’ wordt daaraan toegevoegd. Geen gestalte. Enkel stem. ‘Uit Egypte, die ijzeroven, heeft hij je gevoerd om zijn eigen volk te zijn’ (Deuteronomium 4:20). Ja, naar de woestijn! En daar moeten ze dan met elkaar zien rond te komen. En daar breken ze los, zoals getergde mensen doen, in klachten en gejank en krijgen spijt van hun uittocht, want zand is zand en geen brood. ‘En zij gingen drie dagen in de woestijn. En zij vonden geen water.’ Een voorbeeldig verhaal over richtingloosheid, onderlinge verwarring; en over woorden die richting wijzen, een weg banen, gemeenschap stichten: Thora ontvangen, leren.

Het is de derde maand na de uittocht uit Egypte. Ze zijn gekomen in de woestijn van Sinaï, zij legeren recht tegenover de berg Horeb. ‘Gij hebt gezien wat ik gedaan heb tegen Egypte: Ik heb jullie op adelaarsvleugels gedragen, Ik deed jullie komen naar mij.’

En het geschiedde op de derde dag van die maand toen de morgen aangebroken was: donderslagen, bliksemflitsen, zware wolken boven de berg, de stem van een sjofar – de ramshoorn – de doordringende stem.
Mozes leidde het volk het legerkamp uit, God tegemoet. Zij stonden aan de voet van de berg. De berg Sinaï stond in rook heel aan al, want in vuur was JHWH daar neergedaald, rook steeg op als een rokende oven, de berg, heel en al, schokte hevig.
En het geschiedde: de stem van de sjofar klonk en werd sterker en sterker. Mozes, hij sprak; en God, hij gaf antwoord met donderende stem. JHWH daalde neer op de berg Sinaï, op het hoofd van de berg, JHWH riep Mozes naar het hoofd van de berg en Mozes ging opwaarts. Exodus 19:16-20

God sprak en zei al deze woorden, hij sprak:
Ik, JHWH, ben jouw God, ik die jou uitgeleid hebt uit het land Egypte, uit het diensthuis.
Jij zal geen andere goden hebben voor mijn aangezicht: jij zal je geen beeld en geen afbeelding maken van wat ook in de hemel boven, op de aarde beneden of in de wateren onder de aarde. Jij zal je niet ter aarde werpen voor hen, jij zal hen niet dienen (Exodus 20: 1-6) want ik, Adonai, jouw god, ben een hartstochtelijk god woedend op wie mij ontrouw zijn, vier generaties lang – maar wie mij trouw zijn, ik zal hun vriend zijn duizend generaties lang.

En dan de woorden over de naaste, je gelijke, mensen zoals jij. Er staat in het Hebreeuws een woord dat het scherpst vertaald wordt met ‘genoot’, zoals onze taal dat heeft in huisgenoot, deelgenoot, reisgenoot. Het betekent ‘de gezel’ die je gelijke is. Gezel is stamverwant aan zaal, dat in de oudste lagen van de Nederlandse taal leefruimte betekent; degene met wie je de woestijn deelt, als levenslot. Je zult over je naaste niet liegen, in een vals getuigenis, je zult je reisgenoot niet miskennen, net doen alsof hij er niet is: je zult je van hem en van haar niet afmaken, nooit, onder geen beding.

3.
Water uit de rots

Aan Mozes werd de Naam geopenbaard – wie ben ik, had hij gestotterd, stuur maar een ander, waarom ik? Maar Hij sprak: ‘Omdat Ik er zal zijn bij jouw mond.’
In het vierde van de vijf boeken van Mozes, ‘In de woestijn’, staan acht opstandverhalen: de kinderen van Israël rebelleren tegen Mozes, twisten met hem en in hem met JHWH – het bekendst is de scène bij de steenrots van Kadesj. Er is geen water. Ze lopen te hoop tegen Mozes: ‘Waarom heb jij ons opwaarts gevoerd uit Egypte, om ons naar deze kwaaie plaats te brengen?’ Mozes, verpletterd, wanhopig om de woede van zijn volk, wendt zich tot zijn God, hij valt op zijn aangezicht en dan, zo staat er, ziet hij het overwicht, de heerlijkheid, de uitstralende kracht van ‘Ik zal er zijn’.

Nu let goed op, Mozes, wat zegt Adonai? ‘Neem de staf waarmee je de Rode Rietzee hebt gespleten je zult het woord spreken tot de steenrots dat zij haar water geeft’ (…) ‘jij zult het woord spreken.’ Maar Mozes wankelt. Zal zijn woord nog van kracht zijn? Dan heft hij zijn hand op en slaat met zijn staf op de rots, tweemaal. ‘En er kwam water uit in overvloed.’ Dat wel, maar JHWH, die hem even tevoren nog is verschenen, zegt tot hem: ‘Jij hebt mij niet vertrouwd – en daarom zul je niet binnengaan in het land dat ik geven zal.’
Niet de staf, maar het woord. Niet slaan maar spreken. Dat volstrekte visioen van een goed wijd land, een nieuwe wereld, dat is alleen te dragen, dat kan alleen geloofwaardig worden uitgesproken, als je er volstrekt op vertrouwd dat de God van dit visioen bij jouw mond zal zijn, of in een ander bijbels beeld: dat zijn geest je niet zal verlaten.
En in dat vertrouwen moet je veertig jaar volharden. Een leven lang. Wie kan dat? Zelfs Mozes kon dat niet, die was een mens, en daarom herkennen wij hem en kan dit verhaal ons troosten.

4.
Mozes
Kermen, slaan van zwepen, stilte. Toen geraas van wind in de struiken, zoevend vuur, mij roepend, ‘Mozes’. Niemand zag ik, geen gestalte, enkel stem, mij roepend ‘Mozes’, dat ik zijn verslaafde kinderen uit moest leiden naar wijd land. Zoon van niemand, vondeling, ternauwernood geredde was ik. Van het braambosvuur de vuurstem werd ik zoon en blinde ziener, horend woorden onbestaanbaar; gaande wegen die niet zijn.
God oplaaiend. Die ik temde. Die in Kadesj mij gebood tot de zwartste rots te spreken dat zij water geven zou. Maar ik sloeg haar en hij strafte mij in zijn volstrekte liefde en ontzegde mij het land.
God die vriend is.

De laatste van de vijf boeken van Mozes, Deuteronomium, eindigt met zijn dood. Hij heeft het land gezien, maar nooit betreden. Als zo smartelijk en ongerijmd werd dit ervaren, dat het in deze tekst wordt opgevat als de straf voor dat ene ogenblik vertwijfeling. Goethe bedacht dat Mozes zelfmoord zou hebben gepleegd, uit wanhoop om het gekanker van zijn volk. En Freud laat Mozes vermoord worden door het volk dat hem haatte om zijn grote gezag.
Mozes werd begraven in Moab, te midden van vreemden, vijanden van zijn volk. God zelf heeft hem begraven, staat er, en tot op vandaag weet niemand de plaats van zijn graf. Hij was honderd en twintig jaar toen hij stierf, zijn oog was niet verduisterd, zijn kracht niet gebroken. Aan het eind van zijn leven zou hij in één lied heel zijn roeping en levensleer hebben samengevat. ‘Toen zong Mozes voor heel de gemeente van Israël de woorden van dit lied.’
Hoort hemelen, aarde hoort.