Wat is bekering?

Voorlezing uit het boek Amos – Amos 5 en 8 (passim).

Ekklesia, 14 oktober 2012

Voorlezing uit het boek Amos – Amos 5 en 8 (passim)

Zo spreekt JHWH , onze God:
‘Uw feesten, ik verdraag ze niet.
Ik kan uw liederen niet luchten,
de klank van uw harpen niet horen.
Doe stromen als water het recht,
gerechtigheid als een rivier onstuitbaar.’

‘Hoort dit,
gij die de zwakken vertrapt
verdelgt allen in dit land
die geen verweer hebben;
gij koopt ze voor geld, de minsten,
voor een paar schoenen de armen.
Daarom wankelt de aarde.’

Voorlezing uit het evangelie van Lukas – Lukas 3:1-11

In het vijftiende jaar van de heerschappij van Tiberius, keizer,
toen Pontius Pilatus landvoogd over Judea was,
Herodes viervorst over Galilea,
Filippus, zijn broeder, viervorst over Iturea en het gebied Trachonitis
en Lysanias viervorst over Abilene,
onder het hogepriesterschap van Annas en Kajafas,
geschiedde het woord van God
over Johannes, de zoon van Zacharias,
in de woestijn.
Hij kwam naar heel de omstreek der Jordaan,
oproepend tot een doop van omkeer
tot kwijtschelding van schulden,
zoals geschreven staat in de boekrol met de woorden van Jesaja, de profeet:

‘Stem van een roepende:
“Bereid de weg van JHWH in de woestijn,
maak recht zijn paden.
Alle ravijnen moeten volgestort,
alle bergen en heuvels geslecht,
kronkelingen rechtgetrokken,
oneffen wegen geëffend.
En alle vlees zal zien
de bevrijding van onze God.”’


En zo sprak hij
tot de menigten die uitgetrokken waren
om zich door hem te laten dopen:
Adderengebroed,
wie heeft jullie aangepraat
dat je de komende toorn kunt ontvluchten?
Draag vruchten van waarachtige omkeer,
zeg niet op voorhand tegen jezelf:
‘Wij hebben Abraham tot vader, toch?’

Ik zeg je
dat God bij machte is
uit deze stenen op te wekken kinderen voor Abraham.
Reeds ligt de bijl aan de wortel van de bomen:
als een boom geen goede vrucht draagt,
zal hij worden omgehakt en in het vuur geworpen.
De menigten vroegen hem:
Wat moeten wij doen?
Hij antwoordde en sprak tot hen:
Wie twee hemden heeft
moet delen met wie er geen heeft,
en wie te eten heeft
moet hetzelfde doen.

Toespraak

Lieve gemeente, hier, en waar dan ook.

1.
Het evangelie van Lucas, benadrukt dat Jezus van Nazareth één van geest was met zijn joodse traditie. Hij werd geraakt door de profetische prediking van Johannes de Doper, die een ‘einde’ voorvoelde, en tot een nieuw begin opriep: De bijl ligt aan de wortel – wat moeten wij doen? – wie twee hemden heeft moet delen met wie er geen heeft, en wie te eten heeft moet hetzelfde doen. (Lucas 3, vers 11). Dat is ‘waarachtige omkeer’, ‘bekering’. Dat is je afkeren van de Mammon, de geldgod.

De mammon is in de bijbel van Mozes en Jezus, de god van de ongebreidelde economische expansie, van hebzucht, concurrentie op leven en dood, winstbejag ten koste van de minstbedeelden. De mammon is de ‘god’, het ‘beginsel’, het axioma van bijvoorbeeld de neoliberale vrije markt. ‘Op die manier en in die mate rijk worden en die rijkdom voor jezelf houden en niet inzetten voor de bevrijding en de emancipatie van de onderdrukten, voor opbouw van een rechtvaardiger samenleving, dat is mammondienst, dat is tegen de God die zegt: ‘Red hen die geen verweer hebben’.

Met de mammon wordt bedoeld: alles wat een mens bezit ten koste van anderen. Met de mammon wordt niet bedoeld: het bezit van tafel en bed en kostwinning, het bezit van levensvoorzieningen voor je kinderen – al dat elementaire waarvoor in heel de wereld de minstbedeelden nog altijd moeten vechten.
En àls ze het al verworven hebben, dan alléén omdat ze ervoor gevochten hebben, in wat, met een onmodieus woord ‘klassenstrijd’ genoemd wordt; het is ze nooit door de bezittende klasse zo maar gegéven, nergens ter wereld.

2. Zoals alle profeten vóór hem, ziet Jezus van Nazareth de heersende bezitsverhoudingen, met alle uitbuiterspraktijken en bonusculturen die daarbij horen als doodsverhoudingen: maatschappelijke, politieke constellaties waarin mensen geen menswaardig leven hebben. En als hij oproept tot omkeer – bekering – zoals alle profeten voor hem, dan bedoelt hij: breek met deze doodsverhoudingen en keer je leven om naar solidariteit, kies voor een politiek-economisch systeem waarin de woorden over gerechtigheid volbracht kunnen worden, in politieke praktijk gebracht.

En niets anders heeft de Jezusbeweging nagestreefd, en uit haar begintijd kennen wij dat utopische bericht: dat zij alles deelden met elkaar en niemand was in nood of leed gebrek. Dat is dus ‘bekering’.

3.
Maar in alle kerkelijke theologieën, in iedere catechismus, overal ter wereld, betekent dat woord ‘bekering’ al vele eeuwen iets heel anders, en nauwelijks iemand denkt bij dat woord meer aan een keuze voor een andere rechtvaardiger wereldorde. ‘Bekering’ is gaan betekenen dat je gaat geloven in Jezus die jouw ziel zal redden voor het hiernamaals, die “als enig zoenoffer ons lichaam en onze ziel van de eeuwige verdoemenis verlost” aldus de Heidelbergse kathechismus zondag 15.

De betekenisverschuiving van het woord ‘bekering-tot-de-armen-hier-op- aarde’ naar ‘bekering tot geloof in een hiernamaals, en de betekenisverschuiving van ‘Koninkrijk van God’ als een samenleving zonder onrecht naar een spiritueel ‘koninkrijk’-in-Jezus waaraan mensen via ‘sacramenten’ deel krijgen: die ontwikkeling tekent de geschiedenis van het christendom vanaf de vierde eeuw tot op vandaag.

4.
Onder de titel Verantwoordelijkheid schreef de joodse filosoof Emmanuel Levinas het volgende, luister goed, in deze woorden gebeurt iets – hij schijft: ‘In het feit dat de relatie tot God via de relatie tot de mensen verloopt en met “sociale rechtvaardigheid” samenvalt, ligt de hele geest van de joodse bijbel. Mozes en de profeten bekommeren zich niet om de onsterfelijkheid van de ziel, maar om de arme, de weduwe, de wees en de vreemdeling. De relatie tot de mens, waarin het contact met God zich voltrekt, is niet een soort geestelijke vriendschap, maar een vriendschap die zich uit, bewijst en voltooit in een rechtvaardige economie waarvoor iedere mens ten volle verantwoordelijk is.’ Waarom voedt uw God, de armen niet? Hij is toch de God van de armen?’, vraagt een Romein aan de beroemde Rabbi Akiba in de dagen van Jezus. ‘Om ons aan de verdoemenis te laten ontkomen’, antwoordt Rabbi Akiba. Men kan niet sterker uitdrukken hoe onmogelijk het voor God is om de plichten en verantwoordelijkheden van de mens op zich te nemen. De persoonlijke verantwoordelijkheid die de ene mens tegenover de ander heeft, is zo wezenlijk, zo aangeboren, zo ingeschapen, menselijk dat God haar niet kan afschaffen.

Tegen de stroom van postmodern en neoliberaal ik-denken in, heeft Levinas ons geconfronteerd met de radicaliteit van de bijbelse ethiek waarin niet ik het uitgangspunt ben maar de andere mens, die mij aankijkt en een beroep op mij doet. Mensen, schrijft hij, zijn ‘uitverkoren elkaar te dienen’. Wij, hier, of waar dan ook – uitverkoren om elkaar te dienen?

5.
En dan nog dit: of God, die van Mozes en Jezus, bestaat of niet … wat is, ‘bestaan’? Is er bestaan dat wij niet kunnen denken – ondenkbaar God? Kan er bestaan zijn boven alle verbeeldingskracht uit – onbeeldbaar God? We zullen zien.

Maar hoe dan ook, door wie dan ook, die God van Mozes en Jezus staat geschreven – bestaat geschreven. Er zijn woorden over liefde en solidariteit, recht en onrecht, goed en slecht, over arme, weduwe, wees en vreemdeling, zij staan geschreven, en zijn in alle talen van de wereld vertaald. En in hun geschreven ‘status’ hebben zij mensenlevens veranderd, mensen bekeerd tot elkaar. In die woorden ligt de ‘levensleer’ (Thora) besloten, inclusief het politiek program, waaraan wij, nu, en nog vele komende jaren, schreeuwende behoefte hebben.

Aanschijn der aarde wie zal jou vernieuwen? Hij die alles zal zijn in allen, heeft ons bestemd om, aarde, jouw aanschijn te vernieuwen.