Ekklesia, december 2013

Welkom U allen, in De Nieuwe Liefde, op deze laatste Ekklesia-bijeenkomst van 2013.

Ekklesia, De Nieuwe Liefde. Amsterdam, 29 december 2013

Woord ten geleide

Welkom U allen, in De Nieuwe Liefde, op deze laatste Ekklesia-bijeenkomst van 2013. Een bericht uit De Volkskrant van vrijdag j. over 17 Afrikaanse staalvlechters en lassers. ‘Afgepeigerd van vijf tot zes dagen wekelijkse arbeid in kou en regen aan de snelweg A4 tussen Delft en Schiedam, voor 6 euro per uur. Tien tot twaalf uur per dag zijn zij op hun knieën aan het werk en daarna is het uren wachten op de bus die hen weer haar huis brengt. De wegwerkers weten niet wat ze meemaken in Nederland. Al jaren reizen ze door Europa voor tijdelijke arbeidscontracten in de bouw. ‘We hebben in Frankrijk gewerkt, in Duitsland, Engeland en Ierland. Nergens zijn we zo slecht betaald en zo slecht gehuisvest als hier. We zijn gewend aan krappe huisvesting, dat is niet erg. Maar niet eerder zijn we in een lekkende caravan met schimmel en te kleine bedden ondergebracht.’ De lange donkere mannen hebben er drie tot zes maanden wegarbeid opzitten en gaan vlak voor Kerst naar huis, naar de Portugese hoofdstad Lissabon. Ze zijn nerveus. Dit was het laatste weekend dat ze nog kerstinkopen hadden kunnen doen voor vrouw en kinderen, maar ze hebben al zes weken geen loon gekregen. ‘We schamen ons tegenover onze familieleden dat we met lege handen thuiskomen. Ze zullen het niet begrijpen en zich afvragen wat we hier al die maanden hebben gedaan.’

Hartelijk welkom, Nienke en Joost Overgaauw, met jullie jongetje dat dit uur gedoopt zal worden. Wij dopen onze kinderen in het besef van een harde oude wereld, en in verwachting van een nieuwe.
Wij maken, verwekken onze kinderen; dan worden ze geboren, en dan zijn ze niet meer ‘gemaakt’. ‘Geboren, niet gemaakt’ werd ooit geschreven en gezongen over Jezus van Nazaret – wordt nog. Eenmaal verwekt, zijn ze ontvangen, niet meer verworven als bezit, maar aan ons toevertrouwd. Dan begint een nieuw leven van hachelijk geluk – ik had ook zonder jou gelukkig kunnen leven, maar nu niet meer.

Schenk ons het levend water van uw woord
Mogen wij doordrenkt worden
van het grote verhaal over uw Naam,
uw trouw en ontferming,
over een nieuwe wereld in gerechtigheid.

Toespraak

‘In den beginne was het woord’, werd ons toegezongen. Welk woord was in den beginne? Wie de joodse uitlegtraditie van de bijbel ondervraagt, krijgt te horen: dat in den beginne de Thora bij God was, nog voor hij hemel en aarde schiep; thora betekent ‘woord dat mensen richting wijst’ opdat zij een leven zullen hebben dat het waard is geleefd te worden. ‘In den beginne was het woord’ is geen filosofische uitspraak, maar een profetische stem die ons zegt dat wij elkaar zullen respecteren en menswaardig bejegenen: heb liefde voor de mens die naast je is; liefde niet bedoeld als een warm gevoel, maar als praktische solidariteit: dat je een ander mens niet laat stikken, barsten, verhongeren, martelen, verdwijnen.

‘Heb lief de vreemdeling’ is de toespitsing van dat woord over de naaste. Heb lief de vreemdeling die gelijkwaardig is aan jou, een mens zoals jij. De vreemdeling is de naaste bij uitstek; jaag hem niet op, jaag haar niet weg. Zij hebben dezelfde rechten als jij. Zo staat geschreven (Leviticus 19:34).
Zonder deze Thora zal er geen menselijke toekomst zijn die het waard is geleefd te worden. ‘Licht’ is een beeld voor die toekomst, voor een wereld ‘waar mensen waardig leven mogen’. God sprak in den beginne: ‘Er zij licht’ (Genesis 1:4).
Het woord ‘god’ komt ons in kerkdiensten soms te makkelijk over de lippen – weten we wie we daarmee bedoelen? We spreken vandaag opnieuw af dat we met ‘god’ bedoelen die Ene die in de joodse bijbel en in de geschriften over Jezus de pleitbezorger is van vluchtelingen, ballingen, van mensen wier rechten geschonden worden; die solidariteit en gerechtigheid wil, liever dan adoratie en mooie liederen. Zo staat geschreven (Amos 5:21-24) in dat boek dat van alle schakeringen van christelijke godsdienst de bron en het ijkpunt zou moeten zijn.

2.
Wij weten dat de joodse bijbel met zijn visioenen van gerechtigheid en zijn appèl op hart- en-ziel-en-verstand van ieder mens zoveel weerstand en agressie heeft opgeroepen dat het joodse volk, als eerstaansprakelijke voor ‘deze woorden’, zonder ophouden is gevreesd, gehaat en geslachtofferd onder christelijke regimes.

De joodse cultuurfilosoof George Steiner heeft dit bij herhaling aan de orde gesteld. Hij betoogt: het monotheïsme op de Sinaï, het oudste christendom, het messiaanse socialisme: ‘Dit zijn de drie opperste momenten waarop de westerse cultuur kennismaakte met de aanspraken van het ideaal. Stijg boven jezelf uit, verlies je leven om het te vinden, heb je naaste lief.’ Driemaal kwam uit het jodendom een oproep tot perfectie voort en werd geprobeerd deze aan de stroom en de koers van het westerse leven op te leggen. Driemaal is de jood de oproeper tot individuele en sociale volmaaktheid geweest die de mensheid heeft herinnerd aan wat ze zou kunnen zijn, aan wat ze moet worden, wil de mens werkelijk mens worden.
Dit appèl, zegt Steiner, was de volkeren te machtig. Auschwitz was de wraak der volkeren. Steiner wijst er ook op dat het christendom al in de eerste eeuwen van zijn geschiedenis ‘een tactiek van verdunning’ heeft toegepast, ‘bedoeld om die God van Abraham, Izaäk en Jakob verdraagbaar te maken’. De kerken hebben de volstrektheid van het oorspronkelijke bijbelse appèl laten varen en het hoge ideaal van ieders verantwoordelijkheid voor een bewoonbare wereld verruild voor de idee van het ‘persoonlijk zielenheil’. Zij hebben zich meester gemaakt van het joodse erfgoed en dat selectief dienstbaar gemaakt aan hun eigen theologie. Toen het christendom staatsgodsdienst werd, werd de God van de gekruisigde de God van de machthebbers. Aldus Steiner die dit christelijke compromis tegelijk aanklaagt en verontschuldigt, want ‘mensen zijn nu eenmaal geen heiligen en asceten’, dat appèl chanteert ons ‘gewone instinctieve gedrag’. Het is prachtig, imponerend, het zou moeten kunnen, dat bijbelse ideaal, maar het kan niet, je wordt er minstens een zenuwlijder van. En hiermee weerspreekt hij de diepste strekking van de Thora. In het vijfde boek van Mozes, Deuteronomium (30:11-14), staat te lezen dat dit woord niet te hoog is, niet in de hemel, niet overzee, maar in jezelf, in je mond, in je hart; je kunt het volbrengen. Binnen het bijbelse verhaal wordt het ideaal voor mogelijk gehouden, het is te doen. Je kunt het volbrengen: dat is de bijbelse mantra bij uitstek.

3.
Een mensenkind is te onderrichten in het volbrengen van gerechtigheid. Mensen kunnen hun kinderen oriënteren op het visioen, oefenen in horen en zien, leren onderscheiden en volharden. Je kunt kinderen ook tegenhouden; afhouden van dat vergezicht; hun oren doof praten, hun hart en verstand oefenen in onderhorigheid, berusting aanpraten, cynisme. Je kunt de hartstocht voor recht bespotten en beschaamd maken: dat is een kind kleinhouden, kleineren, infantiliseren – ‘ergernis geven’ noemt het evangelie dat. Je kunt kinderen het vragen afleren, en hen zó het leven voorleven, dat het niet meer in hen opkomt te geloven in een andere dan deze bestaande wereld. Maar je kunt ze ook een toekomst geven, je kunst ze meenmen in het geloofsverhaal van Israël, en ze Jezus van Nazareth en de geschriften over hem aanbevelen als gids op die lange wet. Je kind ten doop houden betekent niet minder of meer dan dat je dit voornemen uitspreekt.

4.
Toen deze ekklesia werd opgericht in 1960, was dat om vooral studerende jonge mensen ‘moreel weerbaarder te maken’ en te richten op het goede en het betere – in de taal van die dagen. De wereld zag er toen wel anders uit, maar wij mensen waren toen ook al ‘wij mensen’. En vanaf het begin van deze ekklesia werd de bijbel gelezen als een levend actueel boek over de mensen die wij zijn.
Rondom dat boek, dat grote verhaal dat in de loop der jaren steeds bewuster werd gelezen en uitgelegd als een leerschool voor het geweten, is een liturgie gegroeid die geen andere bedoeling heeft dan mensen te troosten en te bemoedigen in deze moorddadige wereld, ofwel: moreel weerbaarder te maken.

Je richten op het goede en het betere, dat doe je niet intuïtief. Ook al zijn wij ten goede gemaakt, zo zegt ons het boek al in zijn eerste hoofdstuk. En je kunt het ook niet alleen, je vage intuïtie toetsen en scherpen, je wankele geweten vormen, informeren, opnieuw instellen. Maar ook je aanvechtingen van wanhoop overwinnen houd je niet vol in je eentje. En daarom is het dat wij deze ekklesia als een zielsverband in stand of beter gezegd ‘gaande’ proberen te houden.

5.
In het verhaal van de Thora van Mozes en Jezus dopen wij jullie jongetje met de hemelsblauwe ogen. Wat is dat, je kind dopen in een verhaal, en niet inschrijven in een van de vele bestaande kerkelijke registers: PKN, Vrijgemaakt gereformeerd, Roomskatholiek, Doopsgezind, Remonstrants? Je schrijft niet in, je overweegt het oerverhaal dat zich onder al die registers, formulieren, doopboeken uitstrekt als een vaste grond. Je gaat hem dat verhaal voorleven en uitleggen, dat verhaal over ‘god’.

Hoe is God god? Op de wijze van een dragende zogende moeder, een verwekkende, verantwoordelijke vader, en op de wijze van een kind dat ontvangt, navolgt, doorgeeft, en tot moeder-vader uitgroeit. God is in zichzelf relatie, gemeenschap – de zindering tussen de een en de ander noemen wij geestkracht, Heilige Geest.

Wat wij kennen uit onze relaties met elkaar, de geladenheid van de liefde, de veelheid, de aandrift, de uiting, de stem, het woord, het snakken naar adem, dat is God.

Zoals een hert reikhalst naar levend water
dorst ik naar God, de levende God.