Doopdienst, Juni 2007

‘Hij nam een kleine jongen bij de hand, daar stond hij, naast hem’.

Amsterdamse Studentenekklesia, 17 juni 2007

1.
‘Hij nam een kleine jongen bij de hand, daar stond hij, naast hem’. Die kleine jongen die daar staat, in de evangeliewoorden zojuist voorgelezen, die kleine jongen was jij, oude man, jonge heer; maar ook jij grote mevrouw, lieve jonge dame. Wij waren allemaal toen we nog klein en weerloos en nietig waren – wij waren allemaal die kleine jongen. Alle kinderen van de wereld, van de wereldgeschiedenis, staan daar in die kleine jongen, ‘uitgelicht’ – altijd omvergelopen, over het hoofd gezien, maar nu profetisch aangewezen als degene om wie het gaat, die er het allermeeste toe doen, voorgoed, nooit meer niet; Patsers, grote monden, grote ego’s, wat voor een wereld laten jullie je kinderen na, hoor je hem denken, Jezus van Nazareth, die messiaanse profeet die van een andere wereld weet, een koninkrijk van God waar de kleinsten de grootsten zullen zijn en de laatste de eerste. ‘Hij nam een kleine jongen bij de hand’ – wie de kleinste is van jullie allen, die is groot.

2.
Vladimir Nabokov, de grote Russisch-Amerikaanse schrijver, vertelt in zijn boek ‘Geheugen, spreek’ hoe hij als klein kind tussen zijn ouders liep in de tuin van hun landgoed: ‘Zij schreden gelijkmatig voort en tussen hen in stapte ik trots en holde en stapte weer, van zonneplek naar zonneplek.’
Wat kun je ooit nog anders willen dan twee handen die je vasthouden van zonneplek naar zonneplek? Misschien is het een van jullie, of meerderen van ons, net zo vergaan als Nabokov – toen je een klein kind was: je bent ‘ik’ geworden in de lichtkring van betrouwbare woorden, in de veiligheid van ‘wij’; vastgehouden van zonneplek naar zonneplek, door schaduwstroken heen. Andere, eerdere mensen maken je ‘ik’ door je aan te kijken, aan te raken, aan te spreken. Was je nooit ‘in aanraking gekomen’, je zou een cactus geworden zijn. Had niemand naar je gekeken, je was een blinde muur geworden.
Er zijn mensen als cactussen en blinde muren. Ze zijn opgegroeid niet in de veiligheid van wij, in de lichtkring van betrouwbare woorden, maar in de onveiligheid van ‘men’ en ‘ze’. Ze zijn bang gemaakt door mensen met maskers op, en niet vastgehouden, maar overgelaten aan zichzelf toen ze nog zichzelf niet waren. Ze zijn boos gemaakt en gestraft voor hun boosheid. Bang en boos vertrouwen ze niemand meer.

3.
Stel je hebt niet alleen in je eerste kinderjaren, maar ook later in je jeugd het redelijk goed getroffen. Je hebt leren lachen en huilen, luisteren en zingen. ‘Ze’, anderen, lieten je blijken dat ze je belangrijk vonden. Ze maakten je open en wekten je behoefte aan intimiteit. Ze namen je mee de ruimte van de vriendschap in; leerden je verlangen en gaan: dat je voor iets gáán kunt, voor een ideaal, voor een ander, gáán, niet vallen – en hoe gelukkig dat kan maken. Gezegend ben je als het zo met je gegaan is.
Er is al jaren een maatschappelijke discussie gaande, over normen en waarden. De vraag naar de verantwoordelijkheid van gelukkig-welvarend-rijk voor ongelukkig-zwak-arm, is de kernvraag van deze discussie. En het is leerzaam om te zien hoe er om het antwoord wordt heengestotterd, hoeveel ingewikkelde nuances worden aangebracht, in hoeveel bochten er gewrongen wordt.

4.
Misschien moet je wel een allervroegste jeugd van zonneplek naar zonneplek gehad hebben, en zo vastgehouden zijn, en te kunnen geloven in de geest en de bewoordingen van psalm 23. Om je te kunnen indenken dat je zo, tegen alles in, veilig bent, dat niets je deren zal – uiteindelijk niets, zelfs de dood niet- ‘moet ik de afgrond in, de doodsvallei, ik zal bang zijn- ben jij naast mij, ik zal niet doodgaan van angst’.
Dat ‘toevertrouwen’, dat zouden we allemaal wel willen kunnen, daarom is deze psalm, streng berijmd of vrij vertaald, zo wereldwijd populair. Een oerlied. Niet de droom van een veilige wereld, maar van een veilige weg- ‘ben jij naast me’, wie Jij?

De genade van in den beginne: van toen je ter wereld kwam, vastgehouden zijn, door bevende, onhandige handen desnoods – er bestaan geen volmaakte, almachtige handen. Er bestaat wel ‘zo goed mogelijk’ en ‘onvoorwaardelijk’, onvoorwaardelijke liefde. Moge ons dat gegeven worden, of we nu kinderen hebben of niet: de kracht tot onvoorwaardelijke liefde.

5.
Met mijn moeder die las
en breide tegelijk
en mijn vader die zes uur
per dag piano speelde
heb ik jaren lang gepraat
gelachen en ruziegemaakt –

schreef de joodse dichteres Hanny Michaelis, deze week gestorven en begraven. Haar ouders werden vermoord in Sobibor, zij zelf dook onder, overleefde, werd 84. Als een ‘vogel die tegen de wind in zingt, wankelend op de valreep van het licht’, zo beschreef ze zichzelf; ondanks alles toch doorgaan, blijven zingen als die merel. Dat was haar leven. Dat kan dus, zo gelukkig mogelijk overleven. Kan je dat leren … je kinderen leren? Door met ze te praten, te lachen en ruzie te maken in onvoorwaardelijke liefde?

Keimpe – Sietske – Françoise – Nikè – Lucille – Zoetje en Berend, de zeven van vandaag: wij vieren hun geboorte, hun toekomst.
Je kinderen ten doop houden is zoveel als een gelofte: dat je ze zult vasthouden, kome wat komt. En dat je zult meenemen in het Grote Verhaal over een nieuwe wereld waar de laatsten eersten zullen zijn en de kleinste groot – een omgekeerde wereld.

Ik zal ze, volgens jullie wil, dopen met woord en water, inzegenen in die wereld die komend is. Jullie, hun ouders, hun behoeders, zullen hen leren zingen tegen de wind in.

Zo moge het zijn.