De god van de geschiedenis

Toen ik daar zat, verweesd en zonder lied, aan Babels stromen.

Amsterdamse Studentenekklesia, 14 oktober 2007

Lied van Ezechiël

Toen ik daar zat, verweesd en zonder lied,
aan Babels stromen. Toen ik daar verloren
kroop langs de wegen van dat doodsgebied,
vloekend de nacht waarin ik werd geboren.

Toen ik Hem zag in zijn metalen licht,
in storm van wolken morgenlicht doorschenen,
mensengestalte, stralend vergezicht –
en ik viel neer, voor wie? Daar in den vreemde.

Toen Hij mij riep: Sta op, o mensenkind.
En ik stond op, recht overeind, en hoorde
vleugels van vuur en adem, nieuw bewind.
En ik verstond de eens gegeven woorden:

dat Hij zijn volk bevrijdt, zijn huis herbouwt,
dat Hij ons dor gebeente doet herleven,
dat Hij zijn maaksel vast in handen houdt,
dat in zijn boek mijn dagen staan geschreven.

Die mij tot stem en wachter heeft gemaakt
dat ik zijn Naam zou roepen in uw oren,
mensen der aarde, zo ontheemd geraakt:
die is uw God. Hij laat u niet verloren.

Woord ten geleide

Wij bevinden ons in een reeks diensten-toespraken over de ballingschap van Israël aan Babels stromen. Twee weken geleden werden ze deporteerd. Vandaag zitten ze middenin de ellende, letterlijk in de vervreemding.
‘Het geschiedde in het dertigste jaar’: zo begint het boek Ezechiël waarvan wij het eerste hoofdstuk gelezen hebben. Het dertigste jaar nà het jaar 621, toen Koning Josia de Thora-godsdienst weer invoerde en de tempel in Jeruzalem zuiverde van vreemde goden- en godinnen beelden. Daarom is volgens priesterlijke overleveringen binnen de joodse traditie het jaar 621 het jaar 1, het nieuwe begin. In het jaar 597 werd Ezechiël met 40.000 anderen, heel de elite van Jeruzalem en Judea, gedeporteerd naar Babel, godverlaten zooitje – gedumpt in een vreemde wereld. Ezechiël zou in het jaar 621 geboren zijn, uit een priestergeslacht. Hij is in ‘het dertigste jaar’ dus zelf ook dertig, even oud als Jezus van Nazareth toen die geroepen werd, vanuit een ‘geopende hemel’.

In de bijbel zelf wordt Israël beleefd en beschreven als ‘deel van het geheel’, heel deze wereld in het klein. Wat zich in Israël afspeelt aan recht en onrecht, speelt zich overal af en is van alle tijden.

Als dat zo is, moet het mogelijk zijn iets van ons eigen bestaan en onze eigen wereld te herkennen in het verhaal over Ezechiël, die zich de vraag stelde of de geest van God werkt in de geschiedenis van zijn dagen. En zo, oog in oog met deze uitheemse, fascinerende tekst, stel ik ons de vraag: werkt de geest van God in onze dagen of zijn wij ook een godverlaten zooitje in een uithoek van het heelal – zijn wij met al onze discussies over onze Nederlandse identiteit, misschien ‘een verloren land’ aan het worden?

Lezing uit het boek Ezechiël
– hoofdstuk 1

Het geschiedde
in het dertigste jaar
de vierde maand
de vijfde dag van die maand:
ik was te midden van de ballingen
aan de rivier de Kebar –
de hemel opende zich
en ik zag visioenen van Godswege.

Op de vijfde van de maand
in het vijfde jaar
van de ballingschap van koning Jojakin
geschiedde Zijn woord, het geschiedde
aan Ezechiël, de zoon van Boezi, de priester,
in het land der Chaldeeën
aan de rivier de Kebar.
Zijn hand was daar op hem.

Ik zag:
daar kwam een stormwind uit het noorden,
zware wolken waaromheen een gloed,
schichten vuur.
Daar binnenin
iets dat leek op schitteringen van metaal.
Daar binnenin
vier gestalten, levende wezens.
Zo zagen zij eruit:
elk met vier gezichten
elk met vier vleugels
hun benen recht gestrekt
hun voeten de poten van een stierkalf
blinkend als blinkend koper;
aan hun vier zijden
onder hun vleugels
mensenhanden.
De vleugels, met elkaar verbonden,
en de gezichten
wendden noch keerden bij het gaan –
zij gingen ieder recht voor zich uit.

Alle vier de levende wezens
hadden van voren een mensengezicht,
rechts opzij het gezicht van een leeuw
links opzij het gezich van een stier
en van achteren het gezicht van een arend.
Twee vleugels bedekten hun lichaam.
Zij gingen recht voor zich uit,
zij gingen waarheen de geest hen deed gaan,
zich wendend noch kerend,
de vier gestalten, die levende wezens.

Als vurige kolen hun aanblik,
brandende fakkels –
dwars door hen heen ging dat vuur,
hoog oplaaiend vuur,
bliksemstralen schoten eruit.
Zelf vlogen de levende wezens
heen en weer als schichten van bliksem.

Ik zag de levende wezens –
daar stond, op aarde, bij alle vier, een wiel.
De wielen fonkelden als chrysoliet,
en hadden alle vier dezelfde vorm
ze waren zo gemaakt
dat in ieder wiel nog weer een wiel was.
Zij konden in alle vier richtingen gaan
zonder wenden of keren.
Ontzagwekkend hoog die wielen
en hun velgen vol ogen.
Bewogen de levende wezens,
bewogen de wielen mee;
stegen ze op, dan stegen de wielen ook op.
Zij gingen waarheen de geest hen deed gaan;
omhoog – dan gingen de wielen omhoog,
want de geest die in de levende wezens was,
was ook in de wielen.
Bewogen de levende wezens,
bewogen de wielen mee;
stonden ze stil,
dan stonden de wielen ook stil;
stegen zij van de aarde omhoog,
dan stegen gelijk de wielen omhoog.
De geest van de levende wezens
was in de wielen.

Boven de hoofden der levende wezens
was een gewelf van ijs, verblindend als kristal,
uitgespannen boven hun hoofden.
Onder het gewelf hielden zij
twee van hun vleugels uitgespreid naar boven,
de twee andere vleugels bedekten hun lichaam.
Ik hoorde, wanneer zij gingen,
het wieken van hun vleugels
als het geluid van water,
als het stemgeluid van de Almachtige,
als het rumoer van een menigte,
van een legerplaats.
Toen stonden zij stil
en lieten hun vleugels neer:
daar klonk een stemgeluid
van boven het gewelf, boven hun hoofden,
en zij stonden stil
en lieten hun vleugels neer.
En boven het gewelf,
dat uitgespannen was boven hun hoofden,
was de gestalte van een troon, als van saffier,
en op de troon was zichtbaar
de gestalte van een mens.

En ik zag: schitteringen van metaal,
een vergezicht van vuur,
het huis daaromheen.
En van Zijn heupen omhoog
en van Zijn heupen omlaag
zag ik een vuurgloed, zinderend.
Zoals bij regen
de regenboog staat in de wolken,
zo was de aanblik
van Zijn uitstralende gloed.
Zo was de aanblik
van de gestalte van ‘Ik zal er zijn’,
toen Hij verscheen.
Ik zag
en viel op mijn aangezicht neer.

Toen hoorde ik een stemgeluid,
een stem die tot mij sprak:
Mensenkind, sta op, recht overeind,
Ik wil tot jou spreken.
Toen, terwijl Hij tot mij sprak,
kwam over mij de geest
en deed mij staan, recht overeind.
En ik hoorde Hem die tot mij sprak.
Hij sprak tot mij:
mensenkind,
Ik zend jou tot de kinderen van Israël.

Toespraak

1.
‘Mensenkind ik stuur jou naar de kinderen van Israël’. Ezechiël beschrijft zijn roepingservaring in beelden die ontleend zijn het uittochtverhaal: laaiend vuur, bliksemschichten, vuurgloed, stormwind, het geluid van snel stromend water, een hemelgewelf van kristal, een troon van saffier, een stem. Mozes hoorde aan de voet van de berg Sinaï een stem uit een doornstruik in lichterlaaie: ‘Ik stuur jou’. Wanneer de Thora gegeven is, op de Sinaï, bestijgen de zeventig oudsten van het volk met Mozes de berg, en ‘zij aanschouwden de God van Israël, onder zijn voeten was een vloer van tegels en saffier, zo stralend als de gewelven van de hemel’ (Exodus 24, vers 10). Beelden uit Israëls bevrijdingsverhaal, die met beelden uit de Babylonische mythologie tot één visionair gedicht worden gesmeed.
Als in een droom zo complex èn helder, ziet Ezechiël vier ‘levende wezens’, ieder met vier gezichten en vier zijkanten, vier vleugels, en mensenhanden onder hun vleugels. ‘Vier’ is in de Babylonisch mythologie het getal van volheid; ‘vier’ is de hele kosmos, de vier hoeken van het firmament, de vier windstreken.
Elk van de vier wezens is mens, leeuw, stier en arend tegelijk. Maar het meeste mens: ‘van voren een mensengezicht’ staat er. Daarmee grijpt Ezechiël ìn in de gangbare Babylonische mythologie die de goden als dieren voorstelt. En daarmee ontmaskert hij op typische bijbelse manier de geschiedenis als mensenwerk. De geschiedenis, alles wat er gebeurt, lijkt noodlot of goddelijke beschikking. Maar is mensenwerk, menselijke nalatigheid, onwil, verkeerd gebruikte menselijke vrijheid. Heel die ballingschap aan Babels stromen is het gevolg van bedreven sociaal onrecht, kwaad straft zichzelf. Het kwaad is mensenwerk.

2.
Aan de vier wezens correspondeert op aarde een ‘wiel waarin nog weer een wiel zit’. Wiel is ‘kringloop’, een wiel in een wiel is kringloop in het kwadraat.
Ezechiël doorziet het ‘Babylonische Systeem’ als een gigantische machinerie, een fatale kringloop waar geen mens aan ontkomen kan; een radarwerk waarin mensen worden onteigend, gelijkgeschakeld, vermalen. Maar dat maatschappelijk-economisch-politiek- systeem is niet de laatste werkelijkheid en heeft niet de toekomst en het laatste woord. Ezechiël profeteert dat heel dit in zichzelf gesloten ‘systeem’ zal worden opengebroken, en tot een dienstbaar instrument zal worden van ‘de geest’: ‘Zij gingen waarheen de geest hen deed gaan’ zegt hij tot tweemaal toe, eerst over de vier levende wezens en dan nog eens over de vier wielen. Het is de geest die ze aanstuurt – welke geest? De geest van Hem die op de troon gezeten is, van ‘Ik zal er zijn’, de Bevrijder-God van Israël. Het is de ‘heilige geest’ van de bevrijding en de uittocht die wezens-en-wielen bestuurt.
De vier-gezichten-wezens èn de wielen vormen samen de ‘troonwagen’, het voertuig, het instrument waarvan ‘Ik zal er zijn’ zich bedient. Ezechiël graait alle symbolen van de Babylonische religie- en maatschappijleer bij elkaar en maakt ze dienstbaar aan de verschijning van de God-Bevrijder ‘Ik zal er zijn’. Zoals donder en bliksem en stormwind, begeleidingsverschijnselen zijn van zijn ‘heerlijkheid’, zijn bevrijdende kracht, zo zijn de goden van Babel niet meer dan knechten die de kar mogen trekken: zij worden ingeschakeld in de bevrijdingsbeweging die uitgaat van de troon. In de Babylonische mythologie worden de goden voorgesteld als rondrijdend op kleine wagentjes, voortgetrokken door dieren en mensen, kosmisch gestuurd, kosmische marionetten. De troonwagen van ‘Ik zal er zijn’ is het tegenbeeld van al die ronddarrende goddelijke karretjes van Marduk, Isjtar, Tammuz, of hoe ze ook heten.

Wat betekent het dat hij troont? Dat hij boven ons uit is, niet opgaat in mensen, niet opgaat in de kringloop van de natuur; dat hij bestendig is, en boven de geschiedenis uit bij machte de geschiedenis te richten; dat hij het is die bevrijding en uittocht bewerken zal, steeds opnieuw; en dat hij ons vasthoudt – maar hoe? De troon symboliseert de betrouwbaarheid van de Naam ‘Ik zal er zijn’. Zijn troon is niet onbeweeglijk zoals alle andere tronen van koningen, die symbolen zijn van een onbeweeglijke status-quo. Zijn troon rijdt over de aarde, naar overal waar bevrijding veroverd moet worden. Zijn troon is een strijdwagen die de aarde verovert op de uitbuiters en onderdrukkers, de Nebukadnessars. Dàt ziet Ezechiël.

3.
‘Ik zag, en viel op mijn aangezicht neer. Toen hoorde ik een stemgeluid, een stem die tot mij sprak: Mensenkind, sta op, recht overeind.’ Recht overeind, zodat je kunt gáán. De Stem zegt altijd ‘ga’; nooit ‘leg je neer’, ‘zit stil’, of zoiets. Recht overeind, je voeten stevig op de grond. Een stem horen die tot bevrijding aanzet, en dan gaan, een weg van dagen, dag na dag, en doen wat móét gedaan; die levenshouding (in de figuur van Abraham, stamvader van de ballingen, uitvergroot in het boek Genesis) wordt ‘geloof’ genoemd. Mensenkind sta op.

‘Mensenkind’, een roepnaam waarin nietigheid en grootheid samenklinken. Niet ‘kind van Israël’, nog minder ‘volk van Israël’, maar kind-van-mensen, jij die hoogst persoonlijk één van allen bent. En in die aanspraak worden de grenzen en bepaaldheden van de volkeren onderling ‘hun identiteiten’, doorbroken, en wordt iedere mens even universeel als heel de aarde, en worden alle mensen gelijk berechtigd. Wat zou de ‘identiteit’ van Nederland moeten zijn, kunnen zijn? Dat iedereen hier een volwaardig, vrij, gerespecteerd ‘mensenkind’ kan zijn.

Mensenkind. ‘Ik stel jou aan tot wachter’, zo zegt De Stem – enkele hoofdstukken verder in het Boek Ezechiël. Zoals een wachter uitziet naar de morgen, zo moet Israël wachten op ‘Ik zal er zijn’, zegt psalm 130, dat lied ‘uit de diepte’, het ballingschapslied bij uitstek. Je wordt tot wachter aangesteld om de eens gegeven woorden te bewaren; en om te waarschuwen (dat is: op grond van inzicht in het verleden te spreken over de toekomst); om te waken, te volharden, totdat de morgen daagt, totdat het inzicht daagt in de harten van hen tot wie je gezonden bent, inzicht en hoop.

4.
Visioenen, zoals aan Mozes en Ezechiël en Jezus worden toegeschreven, zijn niet zo zeldzaam als ze lijken. De ervaring, bij momenten, in flarden van momenten, dat je geroepen wordt, dat je weet wat goed is en evident en gedaan moet worden, door jou – en dat het recht met gezag tot je spreekt, of dat het lot van een ander je wordt toevertrouwd: zulke ervaringen komen meer voor dan erover geschreven wordt. Er is een geschiedenis van geroepenen. Waaraan herken je dat hij het is die je roept? Aan de kracht die hij in je opwekt, de kracht om je leven te wijden aan de bevrijding, de lotsverbetering van ballingen, ontheemden, oude en nieuwe armen, kinderen, mensen in je buurt. In die geroepenen werkt de geest van God, de geestkracht van ‘Ik zal er zijn’ in de geschiedenis.

5.
Wat betekent het dat hij ons ‘vasthoudt’? Zeker betekent het, in de geest van heel het bijbelse geloofsverhaal, dat hij ons vasthoudt door zijn woord: niet doden, moorden, niet stelen, elkaar niet verloochenen, die woorden zijn als vasthoudende veilige dragende handen.
‘Ik zal er zijn’ is afgedaald om te bevrijden in woorden over ontferming en solidariteit: doe recht, heb lief, red hen die geen verweer hebben. In die woorden wordt ons gezegd ons niet neer te leggen bij wat er gebeurt, maar het leven in handen te nemen en het te behoeden voor elkaar. In die woorden werkt hij op ons in, roept ons geweten wakker, bemoedigt ons, wijst ons een weg ten leven, opdat wij – wie anders – het aangezicht van deze aarde vernieuwen.