Wie zijn leven niet wil geven

niet wil delen met zovelen, met een ander, gaat
verloren.

Ekklesia, 21 februari 2010

Ten geleide

Welkom wij allen, over en weer. Begroet elkaar en wees hier aanwezig in wederzijdse eerbied. Wie zijn leven niet wil geven, niet wil delen met zovelen, met een ander, gaat verloren. Wie wil geven wat hij heeft, die zal leven, opgegeten, die zal weten dat hij leeft. Daarover gaat het hier altijd ook deze eerste zondag van de veertig daagse vasten naar Pasen toe. Al zingen wij deze woorden vandaag niet. Er zijn genoeg andere woorden, oude en weerbarstige, uit de diepste lagen van het ‘bezield verband’ waarin wij wortelen, de wat heet ‘joods-christelijke traditie’.
Een doorgaande traditie tot op vandaag in vele schakeringen, maar één en onverdeeld in het vasthouden aan Jezus van Nazaret; Messias – Dienstknecht (ooit ‘god van god en licht van licht genoemd’) die tot op vandaag ons aanspreekt, ondervraagt, bemoedigt, troost, vermaant – die ons verschijnt in woorden van genade ‘hebt elkander lief’. Zo moge het zijn: zing, wees genadig, kom bevrijden. Hoor het evangelie dat van hem getuigt.

Voorlezing uit het verhaal over Jezus van Nazaret
Lukas 18, vers 18-30

Een hooggeplaatste stelde hem de vraag:
Goede meester, wat moet ik doen
om leven te beërven in de komende wereld?
Jezus sprak tot hem:
Waarom noemt ge mij goed?
Niemand is goed, enkel die ene, God.
Gij kent de geboden:
‘Gij zult geen overspel plegen,
niet moorden,
niet stelen,
niet liegen,
eer je vader en je moeder.’
Hij sprak:
Aan dat alles heb ik vastgehouden van jongs af aan.
Toen Jezus dit hoorde, sprak hij tot hem:
Nog één ding ontbreekt je:
alles wat je hebt, verkoop het en deel het uit aan de armen,
dan zul jij een schat in de hemelen hebben.
Kom dan terug en volg mij.
Toen hij dit hoorde, werd hij diep bedroefd
want hij was steenrijk.
Jezus zag hoe diep bedroefd hij was en sprak:
Hoe moeilijk is het voor hen die veel bezitten,
het koninkrijk van God binnen te gaan.
Nog makkelijker komt een kameel door het oog van de naald
dan een rijke in het koninkrijk van God.
Die het hoorden die zeiden:
Maar wie kan dan worden gered?

Hij sprak:
Wat onmogelijk is bij mensen,
is mogelijk bij God.
Petrus sprak:
Zie, wij hebben onze bezittingen verlaten
en zijn jou gevolgd.
Hij sprak tot hen:
Amen, ik zeg jullie:
wie huis, vrouw, broeders, zusters, ouders, kinderen
omwille van het koninkrijk van God verlaten heeft,
die zal nog veel meer ontvangen in deze tijd die nu is
en in de komende wereld leven tot in lengte van dagen.

Toespraak

1.
Wij hoorden: ‘Nog één ding ontbreekt je: alles wat je hebt, verkoop het en deel het uit aan de armen – dan zul jij een schat in de hemelen hebben. Kom dan terug en volg mij’. En daarna zongen wij: ‘Het woord dat ik U heden geef, is niet te hoog voor U, het ligt niet buiten uw bereik. Gij kunt het volbrengen’.
Die hooggeplaatste steenrijke, vroeger ook wel ‘de rijke jongeling’ genoemd, heeft het niet volbracht. Maar het kan wel: ‘het is mogelijk bij God’, zegt Jezus. Uit kracht van God, uit kracht van de heilige geest van God. En wie bidt om die heilige geest, ontvangt die heilige geest. Zegt Jezus.
In mijn eigen apocriefe evangelie heb ik opgeschreven wat ik ooit, met eigen ogen, gezien heb:

‘Van verre zag zij hem, drong naar hem toe:
ik zal U volgen, heer, waar gij ook gaat.
Waar ik ook ga? vraagt hij – Ik Heer? Wie jij?
Verkoop wat je bezit, geef het de armen.
Zij had een lusthof, tuinen aan rivieren
goudmijnen, dure wijken. Zij verkocht ze’.

En toen werd ze een zuster van Liefde en ging werken in Cité le Soleil, de sloppen- sloppenwijk van de wereld, Haïti op zijn ergst. En nu is ze oud en woont met nog vier zusters van Liefde ergens in een grote Nederlandse stad in een flat waar ook altijd een aantal uitgeprocedeerde asielzoekers wonen. Die leert ze Nederlands. Ik heb een rijk leven ontvangen, zegt ze.

2.
‘Het probleem van rijk en arm is doodeenvoudig. Wie zegt dat het gecompliceerd is, heeft het over de gecompliceerdheid van zijn eigen rijkdom.’ Aldus (ongeveer, ik citeer uit mijn hoofd) Harry Mulisch, veertig jaar geleden.
De rijken houden de armoede van de armen in stand. Gerechtigheid zou het zijn, als de rijken de armen optillen tot een menswaardig levensniveau. Dat kunnen ze. Dat kunnen ze leren. Het koninkrijk van God is volgens Jezus – en volgens de Thora van Mozes en de profeten waarin hij was opgevoed – een andere wereld dan deze, waarin dát gebeurt, die verheffing, die uittocht omhoog – een komende wereld waarin volgens mantra van de jonge Karl Marx geen mens meer een geknecht, verlaten, vernederd en verachtelijk wezen is. ‘Gelukkig zijn jullie, zo arm als je bent, want voor jullie is het koninkrijk van God’. Dat klinkt eenvoudig, en bijna vrolijk. Maar die ‘komende wereld’ is niet alleen bevrijding voor de armen, maar ook voor de rijken. Arme hooggeplaatste steenrijke man, die diep bedroefd heengaat, omdat hij zoveel bezit, maar aan ‘dat ene’, dat enig noodzakelijke, geen deel heeft: aan die wereldorde waar alles voor allen zal zijn, aan dat groot nieuw bezield verband, nieuwe liefde, wereld zonder scheidsmuren, zonder apartheid, zonder de flauwekul van standen en klassen, zonder geeuwende leegte en verveling en achterdocht en cynisme. ‘Dat ene heb ik verlangd’, zegt één van de psalmendichters, dat ene: daar te zijn, te wonen vlakbij God-Ik zal er zijn, in zijn huis, in die komende wereld, huis met woningen voor allen. Hoor psalm 84:

‘Dat prachthuis, dat daar staat
waar alles woont – de mussen mogen mee aan tafel de zwaluw vlecht haar nest onder de goot ik ben een van haar jongen (…) Liever één dag vlakbij jou dan duizend ver van je weg – liever één dan duizend ver van je weg’.

Alles wat je hebt, verkoop het en deel het uit aan de armen, hooggeplaatste arme rijke – En je krijgt een nieuw leven, een nieuw huis in dit heelal. Je zult eindelijk wonen.

3.
Tegenover een hooggeplaatst steenrijk leven staat niet ‘een arm leven’, maar een leven dat zich inzet voor gerechtigheid. Een dienstknecht-leven. Als je de Thora van Mozes en Jezus ernstig neemt, zou je op de gedachte kunnen komen dat deze wereld-hier-nu, met al haar banken en sloppenwijken, helemaal opnieuw georganiseerd moet worden – en dat jij daaraan moet bijdragen. Als je daarvoor kiest, kies je voor een ‘dienstknechtleven’. Het is maar een woord, maar dat woord heeft oude wortels. In het profetische bijbelboek Jesaja wordt een mens getekend die bereid is zich ten einde toe te geven aan de verworpenen der aarde. De dienstknecht van God-Ik zal er zijn, als ‘een lam ter slachtbank geleid’. In de oudste documenten van onze traditie wordt Jezus van Nazaret als deze dienstknecht herkend – ‘niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen’. Ook wordt hij ‘lam van God’ genoemd – verzoeningslam. In de taal die ten dage van Jezus in zijn land, in Galilea en Juda, gesproken werd, het Aramees, was er één woord voor dienstknecht en lam. ‘Agnus Dei qui tollis peccata mundi’ – lam van God dat wegdraagt de zonden der wereld.
In de traditie van Mozes en de profeten, in het boek Leviticus (16, vers 21-22) is sprake van een bok die op Grote Verzoendag , beladen met alle openlijk uitgesproken misdaden, de woestijn wordt ingestuurd. Er staat geschreven: ‘De bok neemt alle zonden van het volk met zich mee naar een verlaten gebied”. En ook van God-Ik zal er zijn staat geschreven Hij is ‘misdaden, ontrouw en zonden wegdragend, vriendschap bewarend tot het duizendste geslacht’. De geest van deze God is in Jezus herkend – daarom werd hij ooit ‘God van God en licht van licht ‘genoemd en, nog altijd, lam en dienstknecht van God.

4.
Volgens de vier evangeliën heeft Jezus zijn keuze voor een dienstknechtleven in een veelzeggend gebaar te kennen gegeven op de avond voor zijn lijden en dood. In het evangelie van Johannes knielt hij neer om als slaaf de voeten van zijn leerlingen te wassen. In de geschriften van Markus, Matteüs en Lukas neemt hij brood, breekt het, deelt het uit en zegt: ‘Dit is mijn lichaam, neem en eet, om mij te gedenken’. Dan neemt hij de beker met wijn en zegt: ‘Deze beker is het verbond van mijn bloed’. ‘Bloed’ betekent in de taal van de Thora en evangelie: ziel, levenskracht.

Hoe zullen wij, na twintig eeuwen, deze woorden verstaan? Dat Jezus het brood verandert in zijn lichaam en de wijn in zijn bloed, zoals het rooms-katholieke dogma van de transsubstantiatie, de ‘wezensverandering’, het formuleert? Ik hoor hem zeggen: ‘Maak je zelf tot brood voor hongerlijders, wees bezield door het verlangen naar een wereld waar brood en recht voor allen is – als een lam draag de zondelast de wereld uit’. Wat dat betekent weet iedereen die het probeert te volbrengen: het mechanisme van kwaad tot erger stuiten, de oorlog afleren, zeventig maal zeventig maal vergeven en opnieuw beginnen, je levenskracht, je ziel inzetten tegen alles wat dood maakt.

Als een lam draag de zondelast de wereld uit. Heb jij gezegd, heb jij gedaan – heb jij gezegd, dat wij het doen, jou achterna.

5.
In de officiële rooms-katholieke kerk is er maar één interpretatie mogelijk van de woorden: ‘dit is mijn lichaam’ – met verregaande gevolgen: Jezus is de hostie en die hostie mag niet ontvangen worden door onwaardigen die ‘in zonde leven’. En, bijvoorbeeld, ongehuwd samenwonenden en praktiserende homoseksuelen zijn onwaardig. En dus weigerde de pastoor van Reusel, Noord-Brabant, de hostie aan de praktiserende homo-prins Carnaval. En de woordvoerder van het bisdom liet weten dat de pastoor van Reusel daartoe het volste recht had.
Maar wat gij, pastoor van Reusel, niet kunt weten – ik zeg het U in uw eigen geloofstaal – dat is dit: op het eigenste moment dat gij uw oordeel uitsprak over de praktiserende homoseksuele prins Carnaval, dacht ik als bij engelengezang: nu spreekt God in de hemel tot zijn zoon Jezus en zegt: ‘Verdwijn uit die hosties in Reusel, nu, want Ik ben de Schepper–vader-moeder-oorsprong en toekomst van ieder mens op aarde, allen heb Ik naar mijn beeld geschapen. Ik ben liefde, en jij mijn zoon, bent liefde en het is in onze geest dat mensen elkaar liefhebben en eerbiedigen, zoals ze geaard zijn. En daarom, mijn zoon Jezus, verdwijn van nu af uit alle hosties waar ook ter wereld, overal waar die liefde verloochend wordt en die eerbied geschonden. Zo spreekt God-Ik zal er zijn.’

6.
Wij zullen wezenlijk veranderen : wij zullen van chaotische, onsamenhangende, eenzame mensen veranderen in het lichaam van Jezus Messias; als wij, hem achterna, proberen te kiezen voor een dienstknechtleven, partij kiezend voor de armen, de vreemdelingen in ons midden behoedend, ieder mensenkind eerbiedigend, zondelast wegdragend.
Wij zullen zijn werkelijke tegenwoordigheid , zijn ‘realis presentia’ worden. Zijn zachte kracht. Zijn liefdesenergie in deze wereld. Bezield verband en messiaanse tegenkracht tegen de dood in al zijn gedaanten.

‘Geliefden, nooit heeft iemand God gezien.
Wie naar de liefde leeft, zal in hem wonen’
Wij zullen een ‘rijk leven’ ontvangen.
Zo moge het zijn.