Onbewijsbaar laatste ijkpunt

Wat zoekt u in deze dagen?

Amsterdamse Studentenekklesia, 28 december 2008

Woord ten geleide

Welkom u allen, zo vlak na kerstavond. Wat zoekt u in deze dagen? Ik ga ervan uit dat u bezinning zoekt. Daar zit u. Rustig – ontspannen. Kome wat komt. Je mobielt in je hoofd de wereld door, je moet nog dit en dat. Maar nu zit je. En ik spreek u toe met de aloude woorden: ‘Heb liefde tot je naaste die is zoals jij’ – aan wie denk je nu? Aan een twee drie mensen binnen je bereik die aandacht, vergeving en van alles nodig hebben. Van jou. Van wie anders? Noem in stilte hun namen, nu. En doe dat, van nu af, iedere dag, ’s morgens en ’s avonds.

Lezing naar 1 Korintiërs 13

Al spreek ik met tongen
van engelen en mensen,
maar liefde heb ik niet:
ik ben schallend koper,
een rinkelende tamboerijn.

Al ben ik een profeet,
ziende het onzienlijke,
in alles ingewijd,
en is mijn geloof zo volkomen
dat ik de bergen verzet,
maar ik heb geen liefde,
ik ben niets.

En geef ik alles weg,
en laat mij martelen
als het moet,
heb ik geen liefde,
dan dient het tot niets.

Liefde is ruimte geven,
tijd laten, goedheid, geduld.
Liefde is niet kleinzielig,
jaloers, hebzuchtig.
Liefde laat zich niet gelden,
ijdel, grof, ongenaakbaar.
Wie liefheeft
is niet belust op zichzelf.

Liefde wordt niet verbitterd,
liefde vindt niets onvergeeflijk.
Onrecht maakt haar niet gelukkig,
waarheid maakt haar gelukkig.

Liefde houdt stand tegen alles:
telkens weer gelooft zij,
alles verdraagt zij,
altijd opnieuw vol hoop.
Nooit bezwijkt de liefde.

Profetenwoorden wel,
talen verstommen,
alle kennis is eindig.
Ach, al wat wij weten is stukwerk –
en onze visioenen: flarden licht.
Maar als het oneindige aanbreekt,
houdt al het eindige op.

Toen ik nog een klein kind was,
praatte ik zoals kinderen doen,
en ik dacht niet verder
dan kinderen doen.
Nu ik een man geworden ben,
heb ik dat achter mij gelaten.

Nu nog zien wij spiegelbeelden,
raadselachtig,
eenmaal staan wij oog in oog.

Nu nog weet ik niet de helft,
ooit, eenmaal, zal ik alles weten,
zoals Hij alles weet van mij.

Geloof en hoop en liefde
zullen blijven, alle drie,
maar de grootste is de liefde.

Toespraak

1.
Wystan Hugh Auden werd in 1907 geboren, in een vroom intellectueel anglicaans gezin. Hij zat op twee kostscholen, die hij ooit heeft vergeleken met fascistische staten. Daarna studeerde hij in Oxford exacte vakken en Engelse taal. Op zijn dertiende is hij vurig en bevlogen godsdienstig, ‘een periode van kerkelijke Schwärmerei’ noemt hij dat later. Als hij vijftien is, ontdekt hij dat hij zijn geloof verloren heeft. In een autobiografisch bericht noteert hij kort: ‘1922: ontdekt dat hij zijn geloof verloren heeft.’
Hoe, staat er niet bij. Hoe, waar en wanneer verlies je je geloof? Geloof-in-God wordt hier bedoeld. De mededeling wekt de indruk dat er een onoverzichtelijke, misschien zelfs onbewuste periode ligt tussen verliezen en ontdekken dat je het kwijt bent. En wat verloor hij? Wat ben je kwijt als je zegt, zeggen moet, ‘ik geloof niet meer in God’? In welke god niet meer? En waarin nog meer niet meer? In mensen?

2.
Auden heeft na zijn uittrede uit het gelovige milieu van zijn ouders een optimistische visie op mensen ontwikkeld. Vele jaren heeft hij, na een diepgaande studie van zowel Freud als Marx, de overtuiging beleden dat de mens van nature tot het goede geneigd is. Hij geloofde dat de mensen betere mensen en de wereld een betere wereld konden worden. Dat geloof wordt geschokt door de opkomst van Hitler, Mussolini en Stalin. Een jaar ná het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in oktober 1940, keert hij terug in de anglicaanse kerk – hij woont dan al in de Verenigde Staten. Het is allereerst een ‘terugkeer’ tot het geloof in het Absolute – hij noemt het zelf het geloof in ‘het visioen van een objectieve orde van goed en kwaad’, in een onaantastbare morele norm zonder welke hij zich innerlijk weerloos voelde tegenover dictatuur en aanstormende verschrikkingen. Een onwankelbaar woord-van-Godswege is het fundament van de ‘humaniteit’; en dat woord is vlees geworden, is werkelijkheid geworden en mogelijk gebleken, en belichaamd, in een mens- van-godswege: dat geloofsvisioen heeft Auden uitgeschreven in zijn kerstoratorium For the Time Being; hij begon eraan in 1941 en voltooide het in 1944. Benjamin Britten zou de muziek componeren, maar kwam niet verder dan fragmenten.

3.
Onder de titel ‘Advent’ beschrijft Auden (en daarmee opent hij zijn oratorium) deze eeuw van twee wereldoorlogen als een volstrekte leegte waarin iedere mens tot een fictie dreigt te worden onteigend. Niets is meer wáár: de ruimte is er nog wel, maar niet écht; de dingen herhalen zich, maar er is geen geschiedenis meer. Niets heeft meer zin. ‘Geen nachtmerrie zou zo vreselijk kunnen zijn als deze Leegte,’ schrijft hij. Het is niet de leegte die er altijd al was, het zogenaamde ‘menselijke tekort’ van alle tijden. Het is een nieuwe gruwel. Maar in die ‘uiteindelijke’ leegte, of beter uít die leegte wordt het kind geboren dat de ‘volheid der tijden’ is. Het Joodse land, Palestina, bezet en onderdrukt door de Romeinen, wordt voor Auden tot beeld en gelijkenis van zijn eigen tijd, en in de gestalten van het evangelie tekent hij zijn eigen verwarring en angst. Maar ook laat hij hen opengaan (zoals hij zelf openging) voor wat hij ‘het wezenlijke Visioen’ noemt: ze krijgen inzicht in wat de mogelijke vervulling van hun bestaan zou kunnen zijn: in plaats van een leegte-en-fictie-leven een leven-in-liefde: Levende Liefde noemt hij dat met grote geijkte woorden, die hij nog met hoofdletters schrijft ook, maar die – dat is het geheim van zijn taal – ontdaan zijn van alle pathetiek.

4.
‘Levende liefde in plaats van fantasie’, laat hij een van de herders zeggen. En dat is ook wat hij de drie wijzen laat zoeken, en vinden. Hun bestaan als sterrenkundigen, ruimtekundigen, natuurkundigen, zo stelt Auden het voor, was abstract, berustte op intellectuele speculaties, ‘fantasie’ – vergeleken bij ‘Levende Liefde’ is het waan en schijn, leegte, fictie en isolement waarin zij ronddolen. De ster roept hen op tot ‘bekering’ tot een leven van echtheid, menselijkheid en menslievendheid. Auden leest het verhaal van de drie wijzen als een voorafbeelding van zijn eigen zoektocht naar een nieuwe, onwankelbare orde-van-zijn.

5.
Twintig, vijfentwintig jaar later is het bon ton in de westerse wereld te beweren dat we bijna niets met zekerheid over Jezus van Nazaret weten. Het meeste van die verhalen over hem is symboliek, verheven fictie, te beginnen bij zijn geboorteverhaal. Hij is negen tot vier jaar vóór zijn geboorte geboren, en niet op 25 december – dat is allemaal vrome folklore, listige kerstening van Griekse en Germaanse lichtfeesten. Over Jezus die de Mensenzoon genoemd wordt, weten wij minder dan over de Neanderthalermens.
Miljoenen mensen komen dus jaarlijks in de kerstnacht tezamen, ‘onder het sterrenblinken’, in de naam van iemand over wie ze niets met zekerheid weten. Maar hoe kan het dan dat hij de geschiedenis is ingegaan als een voorbeeldmens, als een die ‘liefde’ heeft gedaan; liefde op zijn bijbels verstaan als solidariteit met crisislijders, als mededogen, vriendentrouw; recht doen en niet dulden dat welk mens dan ook een vernederd, geknecht, uitgestoten en overbodig wezen is.
Als de profeet van een menswaardige toekomst is hij de geschiedenis ingegaan – niet als een dode maar als een levende. Als een wiens uitstralende kracht zo groot was en zo niet meer weg te denken, dat hij wel door dood en vergetelheid heen geschreven moest worden. Hij dood? moeten ze gedacht hebben. Nee, niet dood, hij leeft, opgestaan, tegen de dood.

6.
Hij is geboren. Zoveel is zeker. En dat hij gestorven is, opgehangen, gekruisigd: kruisiging was, in de dagen van keizer Augustus, de doodstraf voor politieke opstandelingen. Tot zover de feiten, de rest zou ‘sterk verhaal’ zijn, van de engelen bij zijn geboorte tot het lege graf na zijn dood. Ja, sterk groot verhaal; over integriteit, vriendschap, over de genezende kracht die van hem uitging; over jezelf weggeven om jezelf te vinden; over een groot ideaal, brood en wijn en alles voor allen; over honger naar gerechtigheid; over een laatste norm: verantwoordelijkheid voor elkaar. En over vergeving, zeventig maal zeven maal.
Vreemd en toch onmiddellijk dichtbij, mooi maar heftig confronterend verhaal over liefde als de zin van het leven. Soms kijk je even, met één oogopslag, zoals je in een spiegel kijkt, in dat Jezusverhaal en je schrikt van jezelf, en je denkt, ‘zo kan het dus ook’.

7.
In een eeuwenoude traditie van overleven en hoop tegen wanhoop werd het Jezusverhaal ingezet in het dagelijkse gevecht tegen de dood in al zijn gedaanten. Reeds bij zijn geboorte met de dood bedreigd, neemt hij het op tegen ziekte, armoede, bezetenheid; geeft een dood meisje, een dode jongen, een begraven man het leven terug; beveelt de storm te gaan liggen; loopt over het stormende water zijn vrienden tegemoet en zegt ‘vrees niet’. Het verhaal van een levende, van een onvoorwaardelijke liefde.

In een tijd zonder ‘normen en waarden’ aanvaard ik dit verhaal als een weerloos onbewijsbaar laatste ijkpunt.